Geen stijlbreuk

Gesport heb ik dat mijn knieblessures en tennisarmen elkaar in rap tempo opvolgden voor de vetrolletjes begonnen te smelten als sneeuw voor de zon. Zelfhypnose heb ik op mezelf toegepast. Ik heb me een herseninfarct gestudeerd; diepgaand onderworpen aan confectie of huisvlijt psychoanalyses; ingebeeld dat ik Archie de man van staal was, de beste maatpakken laten aanmeten. Als sluitstuk heb ik een prefab glimlach ten  behoeve van openbaar gebruik in mijn gezicht gebeiteld. Achttien jaar van lijden en ontberen, terugvallen en opstaan, een ijzeren discipline betrachten en zwichten, falen en overwinnen, hebben me geen windeieren opgeleverd. Mezelf en mijn belagers – tenslotte enkel die in mijn geest bivakkeerden en er danig huishielden – heb ik overwonnen door telkens weg te vliegen en hoog boven de meute uit te stijgen. Dagelijks bond ik, gedurende de zes jaar middelbare school waarin het leerproces van start is gegaan,  de strijd aan tegen mijn angst en kwelgeesten. De belangrijkste les die ik als autodidact – voor wat het staande blijven als slachtoffer betreft – in mijn hoofd mokerde, was elke struikelpas waardoor ik eronderdoor dreigde te gaan om te zetten in een zegetocht, elke valse start in een gouden beker te veranderen, elke wanstaltige manifestatie van mijzelf om te vormen tot een esthetisch kunstwerk. Daarom kan niets meer fout lopen. Op één aspect na: ik ben maagd gebleven tegen wil en dank. Zodra het daadwerkelijk erom begint te spannen, gaat het mis. De gemene grijnslachjes van Ciecie, Prita, Sjonnie, Emanuel en Lucia zijn geen zichtbare beelden. De remmende, destabiliserende, soms vernietigende kracht van denkbeelden verricht geroutineerder werk. Wat dat gedeelte van mijn leven betreft, blijft het bij me behelpen. Ik kruip in mijn schulp als een oester, hoe mooi ik me ook fantaseer als parel, ik ben dan wel dood. Ik verschuil me onder de steen des aanstoots als een pissebed. Ik trek me terug als een schildpad in mijn isoleercel. In de zes jaar studie medicijnen heb ik me kunnen redden en de schijn opgehouden door te doen alsof ik een dorpsjongen was die als een kluizenaar leefde en zijn dorpsmeisje trouw wilde blijven omdat hij tevens – oh, zo diep – gelovig was. Zes jaar psychiater in opleiding zijn, heeft daar niet veel verandering in gebracht. Hoe moeilijk ik het ook vond, ik wist daarom dat ik terug moest om het laatste te bereiken wat ik op mijn ‘to-do-list’ had: de confrontatie die ik zonder te verschrompelen zou aangaan. Eens in een verre toekomst. En op die dag mijn maagdelijkheid verliezen. Die schroom was het restverschijnsel van de ziekte waarmee zij me hadden opgescheept. Mijn lichaam had ik bedwongen en getraind. Net als mijn gezicht. Geholpen door de gedachte aan mijn parelwitte tanden produceer ik moeiteloos een stralende glimlach. Mijn gebit is door een beugel rechtgetrokken die ik me heb kunnen permitteren omdat ik vanaf mijn adolescentie tot drie jaar in mijn medicijnenstudie elke vakantie achter de kassa van een supermarkt sleet. Mijn pas werd automatisch veerkrachtig als ik dacht aan mijn geharde en desondanks flexibele spierbundels die ik door consequent thuis trainen had opgebouwd, want geld voor een gym had ik niet. Elk grammetje vet hield ik me verder van het lijf door een streng dieet waarin geen suikers of vetten waren geïncorporeerd. Mijn stem klinkt welwillend daar ik me ervan bewust ben hoeveel meer ik weet dan zelfs de gemiddelde psychiater omdat ik mijn algemene ontwikkeling heb opgeschroefd door achttien jaar lang geen feest of evenement mijn aandacht waardig te keuren, me niet ledig te houden met gepraat over koetjes en kalfjes, maar alles te lezen wat me aan leesbaars onder ogen komt. Ik blijf gelijkmatig tijdens elke discussie omdat ik geheelonthouder ben van alcohol, drugs en ik besef dat elke waarheid relatief is en perspectief-gebonden. Ik toon mijn emoties nooit, omdat ik wegvlieg, wanneer een gesprek mij minder aanstaat. Het resultaat is dat ik enorm word gerespecteerd. Toch was terugkeren naar de plek waar ik de dodelijkste verwondingen had opgelopen, aanvankelijk geen sinecure. Hoewel ik die opdonders had overleefd en hoewel ik me daarvan in mentaal opzicht had gedistantieerd – het was Rick overkomen, ik was Ricardo – was er een aanleiding voor nodig om te beseffen dat ik de behandeling moest afronden, voordat de mishandeling in het niet zou kunnen zinken. Die kreeg ik door een advertentie waarin een reünie werd bekendgemaakt van die vervloekte school waarop ik had gezeten. In eerste instantie dacht ik dat alleen een hijskraan me daarnaartoe zou kunnen tillen en deponeren voor het ultra moderne pas voltooide Verenigingsgebouw van Medici waarvan er een foto in de krant stond. Alleen al het idee van die wederrechtelijke vrijheidsberoving deed me voor het eerst in jaren trillen. Mijn benen van kikkerdril konden bij voorbaat die weelde niet dragen. Door een vlaag van paniek werd ik misselijk. Flarden van alle vernederende ervaringen drongen zich aan mijn geestesoog op en deden me wegduiken en mijn armen afwerend uitstrekken. Eens temeer was ik dik en wanhopig en niet in staat me te weren. Nooit wilde ik meer terug naar die plek. Midden in mijn nood begreep ik daarom juist wat me te doen stond. Voor de spiegel lachte ik mijn betoverendste glimlach, spande ik mijn biceps en rugspieren zodat die zelfs onder mijn trui te zien waren, boog ik me tot dicht naar mezelf toe en genoot ik van mijn gezonde huidskleur, bewonderde ik mijn hoge voorhoofd en frisse blik en klopte ik mezelf bemoedigend op de schouder. Niet alleen een uiterlijk schone blik, ook een onbevangen, onbevooroordeelde kijk op zaken had ik me in de loop der jaren verworven. Mijn kijk. If you don’t use it, man, you’re goin’to lose it, sprak ik mezelf manmoedig toe. Ik had me mijn zelfvertrouwen en eigenwaarde niet verworven om die als pronkstukken in mijn separeer cel te plaatsen. Ik ging heldhaftig terug. Ik zou de eregast zijn. In ieder geval de gast die niemand daar in mijn geboortedorp verwachtte.

In ‘mijn tijd’ hadden we een dorpsdokter, die recepten en verwijsbriefjes uitschreef zonder op te hoeven kijken en in het weekeinde stom bezopen raakte. Een apotheekje inclusief apotheker waar je behalve medicijnen op recept en over de toonbank allerlei ‘duistere’ artikelen kon betrekken die destijds ‘not done’ of beter gezegd ‘not toereikend done’ waren zoals: maandverband waar met neergeslagen ogen om gevraagd werd door een bleek-bloedend, hologig, stinkend meisje dat het hoognodige kreeg toegestopt in wit pakpapier door een opzettelijk nonchalant ogende mevrouw die op verzoek van de schuldige was weggeroepen van achter de pruttelende soepketel; condooms die even tersluiks als ze waren besteld, in bruine papieren zakjes werden aangereikt aan de koper die vooraf talrijke, steelse blikken om zich heen had geworpen om zich ervan te overtuigen dat hij zoals gewoonlijk de enige in de zaak was; de ‘morning after’ pil die door een schuldig kijkende koning die tegelijkertijd klant was, oké je zou eerder denken aan een koningin,  en een moreel aangeslagen volksmannetje werd uitgewisseld tegen betaling, want iedereen moet eten, ook de apotheker; mondverfrissers: fishermans friend of Vicks keelpastilles die van een afstand met uitgestrekte arm werden verstrekt; paracetamol met een meelevende ‘gaat het?’ blik. En zoveel meer dat zijdelings met de gezondheid te maken had, omdat een apotheker eveneens zijn stroomrekening betaald moet krijgen: snow flake sigaretten met een bestraffend gezicht en een kortbij-de-crematie-glimlach omdat ook de verkoper toentertijd wist dat je van sneeuwwitte sigaretten zwart geteerde longen kreeg die geen dak waren dat lekvrij moest worden gedicht. We hadden een bonuman, lukuman, dresiman en God was ons genadig: een acupuncturist die een unicum was. We hadden good, old oppie, de oppasser die de dokter voornamelijk bijstond bij het volgieten van kinderkelen met wormkuur, castorolie met olie kina poli en die zijn witte pak nat liet spugen door de helse rebellen onder die lastpakken. Er was een zuster die de houten kaartenbakken en kartonnen kaartjes niet nodig had om haar klanten te herkennen en die de klachten, ziektes, problemen en handicaps die ze hadden, altijd bij elk gesprek aanhaalde onder de noemer: belangstelling en nooit aflatende liefde voor haar beroep. De kaarten waren uitsluitend vanwege het officiële beroepsgeheim. Die werden nooit aangeraakt: de dokter kende zijn klanten even goed als iedereen in het dorp – zelfs hun stemmen – en sommigen van hen hadden het vlijtig tot keizer geschopt door het wonder der hypochondrie.

De keuze voor het gebouw van de Vereniging van Medici verbaasde me. Nog los van het feit dat er nauwelijks dokters waren in dat dorp, was het vreemd dat een reünie van leerlingen van een dorpsbasisschool zou worden gehouden op zo’n deftige plek. Artsen waren per slot niet de eersten de besten. Ik hield er rekening mee dat ik me kon vergissen voor wat het aantal artsen betrof. Tijden veranderen: de geboorteaanwas was overtuigend en de oversterfte een feit.

Ja, de tijden zijn veranderd, dacht ik. Het gebouw vertegenwoordigde alles wat ik niet had bijgehouden van die plek. Zelfs in gedachten had ik er niet terug gekund. Naar het niet aflatend achterna gezeten worden en niet begrijpen waar de woede, de agressie, het voortdurend provoceren en projecteren vandaan kwamen. De pijn, de kruisiging, het ternauwernood overleven en ondanks alles liefhebben werden destijds een plek in me, een vlek, een kankerbuil, die van buiten naar binnen doordrong. Geïnternaliseerd werd in mijn leven, onze levens. Een tijd werd plaats bepalend. Allemaal waren we bezoedeld. De lange  blikkerende asfaltweg voor me leek te eindigen in een schitterend meer, een oase. Het rustpunt dat ik nooit bereikte, nooit had bereikt. Behalve in mijn verbeelding  waardoorheen bij onbewaakte spoorovergangen het gonsde van de geniepige stemmen op het schoolplein en de stiekeme, triomferende lachjes. Mijn gezichtsveld reikte niet verder dan de tersluikse blikken om me heen. Het amorfe, geleiachtige monster vloeide terug in me en vice versa. Onheil stroomde uit me, over me, in me. De wereld veranderde in een meedogenloos oord, waar ik van nul en generlei waarde was.

Deze schijnbare stijlbreuk overkomt me altijd als een wolkbreuk. Zelfs op kleurrijke dagen als die donkere vloeibare periode vol leed en vernedering losbarst als de tijd voordat ik had leren vliegen zonder vleugels. Mijn protheses, mijn paraplu en parasol, sarcasme en cynisme, zet ik weliswaar vlug in of op als ik word overrompeld en ondergedompeld in een schemering waarin ik me builen loop tegen blinde muren. Maar het is slechts een automatisch afweermechanisme. Een overlevingsstrategie. Mijn instinct dat in werking treedt. En mijn onbegrijpelijke nostalgie wordt ondanks alles meegesleurd erdoor. Het had zo mooi kunnen zijn. Wie of wat waren de mensen geworden die mijn jeugd hadden bepaald?  Hoe zagen ze er nu uit? Zou ik iemand herkennen? De behoefte me te uiten en te begrijpen verdrong mijn weerzin. Er zat een enorme breuk tussen vroeger en nu. Die breuk liep door in mij.  Ik wilde helen en geheeld worden.

Stijlbreuk: ben je bezopen? Je wordt verzopen!

De keuze voor de zaal lijkt me even vreemd als  de  stijlbreuken in dit verhaal en de scheur die in en buiten me zit. Eigenlijk gaat het absoluut niet om een bepaalde stijl. Dit verhaal kan ik niet in één bepaalde stijl schrijven. Afhankelijk van mijn emoties die worden bepaald door de kloven zowel binnen en buiten mij, wisselt de stijl.

Ik ben van niemand afhankelijk. In geen enkel opzicht. Ik leid mijn eigen leven, zorg goed voor mezelf, ben niet tot last, sta geen mens in de weg, ben een waardige burger. Dat is de persoon die ik in werkelijkheid ben. Vroeger was ik in principe evenmin afhankelijk van iemand. Het was niet eens dat ik dat niet wist. Zij moesten mij hebben. Hun ongenoegen over zichzelf op mij botvieren. Niet mijn karakter heeft zich ontwikkeld. Daar is geen sprake van. Ik heb me aan hen kunnen onttrekken. Fysiek. Daarom weet ik dat mijn frisse kijk en uithoudingsvermogen zich hebben kunnen ontplooien, dankzij het feit dat zij zich niet in mijn buurt bevonden. Er is sprake van perspectiefwisseling, geen perspectiefwisseling vanuit een protagonist, een held. Het fysisch perspectief is veranderd en daardoor mijn psychisch perspectief. Het slachtoffer dat de dader wilde worden, overwon door geen van beide te zijn of te worden. Het leven is daar te kostbaar voor. Blik ik vanaf  mijn huidige uitkijkpost, vanuit mijn positie op eenzame hoogte  naar het verleden, dan lijd ik uiteraard niet onder hun terreur. Ik ben daar niet meer. Ik moet er echter niet aan denken dat ik me weer letterlijk of figuurlijk blootstel aan hun gesar of ik transformeer acuut in een zielig, vernederd, beschaamd, beschadigd stuk ellende, zodat mijn stijl noodzakelijkerwijs anders wordt om het anderszins ondragelijke, dragelijk te maken. Rick en alle bijnamen die schenen te rijmen op mijn naam, maar niet met mijn karakter, heb ik afgeworpen als een slangenhuid die over me heen was geworpen. Ik ben wie ik ben en word nooit wat men van me probeert te maken. Die projecties hebben niets met mij te maken. In werkelijkheid heet ik, Ricardo Antoine Herkul. Mijn werkelijke naam en die  belachelijke, kinderachtige woordspelletjes hebben geen enkel aanknopingspunt of raakvlak. Nog daargelaten dat zelfs indien ik Rick heette, ik zeker niet uit hoofde daarvan een slechterik, stouterik of dommerik of van Lotje getikt zou zijn. Dat zijn opzettelijke amputaties en andersoortige misvormingen. Terwijl ik zo bezig ben, met mijn rationalisaties, realiseer ik me hoe stompzinnig dit alles is. Maar dat maakt het des te schrijnender. Als men je als minderwaardig behandelt, ben je dat in zekere zin ook. Tenminste als je van perspectief wisselt en je jezelf door andermans ogen beschouwt. Niemand is een eiland. We zijn deel van een geheel, van de wereld. Als iedereen je isoleert, ben je geïsoleerd, zelfs zonder van perspectief te wisselen. En indertijd toen ik werd afgetuigd, was ik zeker niet van staal. Ik was een slachtoffer, wat ik ook deed of niet. Woorden hebben kracht. Maar niet alleen daarom. Een held kon ik mezelf onmogelijk noemen. Was ik dus een lafaard? Het maakte me in ieder geval een schijtlaars. Dat is de realiteit. Men kan je maken en breken. Wat men niet blijvend kan, is je innerlijk aantasten. Hoewel…

Stijlbreuk: dwars door bevestigende namen, titels en woorden steekt dat monster de kop op, die draak waar ik soms de draak mee steek, omdat de wond van de ene draak ettert en de ander de pijnlijkste plekken feilloos, genadeloos  vindt. Constant van stijl wisselen is onvermijdelijk om het verleden geen toegang tot mijn zachte kern, mijn innerlijk te verschaffen. Neen, ik kan me niet pinnen aan een bepaalde stijl en zal niets stileren.

Dus: ik herlas mijn etiquette handboek een week van tevoren tot twee keer toe. Ik at met mijn mond dicht. Ik douchte uitgebreid en behandelde mijn kalknagels. Ik bespoot mijn oksels alsof ik een heel tweepersoonsbed inclusief matras vol vlooien was. Ik vijlde mijn nagels. Ik trok splinternieuwe ondergoed en mijn beste maatpak aan, ik deed push-ups en sit-ups. Desondanks verging ik van de zenuwen en ik overwoog in alle ernst af te zeggen – ik had me digitaal moeten aanmelden en een bepaald bedrag overgemaakt voor de consumptie en de muziek… dat maakte me geen donder uit. Ik sloeg met één blik een aantal vliegen dood. Staand voor de spiegel oefende ik mijn hartveroverendste glimlach en bereidde ik me net als Mohamed Ali door middel van een ‘power talk’ voor. Net als Bruce Lee overtuigde ik mezelf ervan dat ik het klusje zou klaren. In mijn krachtpatserswaan stelde ik uitnodigingsbriefjes op om diegenen die zouden inzien dat ik heel anders was dan wat zij van me hadden gemaakt voor een knallende cocktailparty uit te nodigen, of een zinderende barbecue, dan wel een High tea, een staande receptie of een gezellig onderonsje.  Ik zou bewijzen dat ik geen ‘wat’ was maar een ‘wie.’ Een mens van vlees en bloed net als zij. Ik verdrong de gedachte dat niemand van de genodigden acte de présence zou geven door zoetgevooisde liefdesliederen met een klankrijke, meelevende stem te zingen. Die ochtend ontbeet ik niet omdat ik buikpijn had en ongelukjes vreesde onderweg of ter plekke – ik heb dienaangaande een fobie ontwikkeld ondanks het gebouw waarin de hereniging een feit zou worden. Ik slikte een diazepam tabletje (gewoon valium of een dergelijke merknaam) om zelfverzekerd over te komen, want mijn zelfvertrouwen was samen met mijn stoutmoedige voornemen de deur uitgevlogen, terwijl ik alle ramen koppig dichtsmeet. En als dit spottend klinkt, als deze zinnen op stijlscherven lijken, als ze onwaarachtig schijnen? Het zij dan zo. Angst en verlies van eigenwaarde kunnen op elke leeftijd, op elke manier toeslaan en op elke wijze worden uitgedrukt en gewild grappig lijken en het ergste: gewoon waar zijn. Hoe de pijn ook wordt verwoord. Ik deed dit alles in werkelijkheid. Als volwassene word ik niet geloofd, omdat ik bekend ben met een stijlfiguur die sarcasme heet. Ik was zo zenuwachtig als een konijn, ik wilde vluchten als een haas. Als psychiater gaf ik mezelf de raad die ik aan elke patiënt zou hebben gegeven: doen waar je bang voor bent. Dus oefende ik op de valreep mijn energieke, verende millennium-tred om mijn ex-belagers te behagen. En ik sloeg de deur, die ik gewoonlijk rustig dichttrok, toe. Ik ging! Ervoor.

Het adres vinden werd een vermoeiende zoektocht. De straat bleek in een nieuwbouwwijk te liggen met uitgebeende, grijze, identieke gebouwen waardoor het Verenigingsgebouw voor Medici me gelijk opviel. Het was een postmodernistische kolos waarin allerlei stijlen waren verwerkt en dat miraculeus genoeg toch strak in het vel oogde. Enorme deuren leidden naar een gigantische receptie die me met huid en ten berge rijzende haren  opslokte. Uiterst rechts bevond zich tegen de muur een sterk verhoogd podium, links een kunstvoorwerp bestaande uit met afgesneden punten op elkaar gestapelde kubussen die tot het plafond reikten; alles uitgevoerd in glanzende, rimpelloze grijze kunststof afgezet met subtiele witte en zwarte strepen – ook de muren.  Tegen de muur links van me waren deels achter het artefact oranje en groene cirkels getrokken. De vloer, een glimmend grijs oneindig lijkend vlak dat ik helemaal moest belopen, spiegelde zich als een oceaan voor me. De overweldigende ruimte drukte me terneer en maakte dat ik me net een kabouter voelde. Het was een bevreemdende ervaring. Opgeslokt worden deed je denken aan de donkere muil van een walvis bijvoorbeeld. Door een dikke, warme, donkere olifant kon je terneergedrukt worden. Het hoge plafond van glazen tegels echter maakte het gebouw zo licht dat er geen kunstverlichting nodig was. Wat voor dakbedekking was er gebruikt? Drie verdiepingen zouden hebben gepast in deze bak. Menselijke maten vielen hier in het niet.  Hier hoorden geen levende, bewegende wezens op vieze schoenen met loopneuzen van de kou of een rochelende zenuwhoest. Ik slikte heftig. Mijn adamsappel bewoog even rigoureus. Ik voelde dat gewoon. Hierin pasten krikschone, lange robotten die uit stereometrische figuren waren samengesteld.

            Als om mijn gevoel van ontheemding te weerspreken ontdekten mijn speurende ogen uiterst links een balie achter het kunstobject, een glazen hok waaruit  een rechthoek voorin was uitgesneden. En – zowaar – een levend wezen, een mens die volstrekt uit de toon viel. Ik rechtte mijn schouders, omgordde mijn lendenen en schreed waardig als een vlieg met één kapotte vleugel binnen.

            De receptioniste was kwabbig en snibbig.  Haar eerste daad van overtuigende vijandschap was me een venijnige blik toewerpen. Ik ontblootte mijn witte tanden in een poging mijn meest aimabele glimlach ten tonele te voeren, mijn stem was zoet als gecondenseerde melk, ik poetste mijn wellevendheid op voor twee en ik noemde – uiterlijk en hoorbaar kalm – mijn volledige, echte naam. Ze nam me van het puntje van mijn kruin tot aan mijn borst op – ik dankte de hemel dat de uitsnijding niet lager was, want ze herhaalde wellustig die handeling, terwijl ik in mijn geheel kromp en me afvroeg hoe ze me nog kon zien. ‘Heeft u gereserveerd en betaald?’ Ik liet de geprinte bevestiging zien en dankte de hemel en mijn voorzienige geest andermaal. ‘Oh, Rickie, ben jij dat? Wat je ook doet, je verandert in werkelijkheid niet, hè? Jij hebt me vast wel herkend. Nog even verlegen, merk ik. Wat hebben we het leuk gehad indertijd, vind je niet? Rikketik, dommerik, slechterik, weet je nog?’ Ze lachte – waarachtig.

            ‘Ciecie?’ vroeg ik aarzelend.

            ‘Marcelina, graag. Wat doe jij tegenwoordig, Rick?’

            ‘Niet veel meer dan vroeger.’

            ‘Dat dacht ik ook niet.’

            ‘En jij?’

            ‘Het beste wat een vrouw kan doen. Ik ben een goede moeder en uitstekende huisvrouw.’

            Er klonken geluiden achter me en een paar bezoekers stapten binnen. ‘Ik ben bang dat ik even geen tijd meer voor je heb. We zien elkaar straks wel. Veel plezier, Rick.’  Ik volgde de richting van haar hand en ontdekte een deuropening in de muur van witte kunststof pal achter de glazen capsule. Ik zou niet hebben gedacht dat er een vertrek grensde aan dit koude bakbeest. Wilden ze ooit de Olympische spelen hier houden? Het iets lagere plafond bewerkstelligde niet dat de uitstraling van dit reuzenopvangcentrum humaner werd, al stonden er ettelijke groepen mensen.

            De man die naar me toe hinkte, herkende ik aan zijn handicap. Hij was klein gebleven. Dat waren zijn herkenningstekens. ‘Ha, die Sjonnie,’ zei ik toen hij een pas van me verwijderd was.

            ‘Hi, dommerik.’

            Ik kon zeggen dat ik Ricardo Antoine Herkul heette. Ik kon zeggen: ‘What’s in a name?’ Ik kon zeggen: ‘Sticks and stones may break my bones but words will never hurt me.’ Ik kon zeggen: ‘Laat ze maar praten, shalalalala.’ Ik kon gaan fietsen zonder steunwielen. Zwemmen zonder zwembandje, vliegen zonder vleugels. Ik kon andermaal ineenschrompelen. Ik kon me diep gekwetst voelen. Ik besloot ervan te genieten. Ik besloot niet te zeggen: ‘Ha, die gekke Sjonnie met zijn manke poot en gekke moeder, die plaagt omdat zijn moeder de helft van zijn kindertijd in het gekkenhuis zat. Ik kon me omkeren, naar buiten lopen en tegen kwabbekef zeggen: ‘Plaagde je soms omdat je nog altijd vleziger bent dan ik?’

Ik kon niet anders dan mezelf blijven, me beschaafd en met mededogen gedragen tegenover mijn medemens en genieten van de finale.

‘Waar heeft het leven jou naartoe gevoerd?’ vroeg Sjon.

‘Ver ben ik niet gekomen. Kokospalmen, manjabomen, vreemde bedden. En jij?’

‘Kunstenaar. Het kunstwerk in hal A, waar je binnen bent gekomen, die kubussen, is van mijn hand. Hee, we spreken elkaar. Prieta, is onze eregast, de eerste spreker van vanavond. Ze is hoogleraar Nederlandse letteren. Neem ons niet kwalijk, wij wisten te laat dat jij kwam, we wisten niet of jij een bijdrage aan het programma zou willen leveren en we hebben publiek nodig.’ Hij gaf me een klap op mijn schouder. ‘Grapje.’ Gek, ik kon me hier niet langer druk om maken. Ik was gebleven wie ik was. Zij waren wie zij waren. Het was hun bekende stijl: geen stijl, dus geen stijlbreuk. Als vanouds: stijlloos. Niets meer en niets minder. Niets ergers en niets beters. Ondanks de technologische vernieuwingen en hun schoolse ontwikkeling waren ze blijven steken in hun barbaarse agressie, groepsimmuniteit, bendebanaliteit, gemeenschappelijke schaamteloosheid. Onvoorstelbaar. Toch kijken wat het vat te bieden had. Wie weet. Could have been so beautiful. Could be beautiful. Desnoods gedeeltelijk.

Sjonnie repte zich hinkend naar Prieta. Ruim een half uur later stonden ze nog met elkaar te keuvelen en ik durfde me niet op te dringen. Een buffet met stijlvolle oranjekleurige drankjes in hoge glazen die aan de rand waren opgetuigd met een schijfje mangovrucht of plakjes ander ’exotisch’ (?) fruit trok mijn aandacht. Daarmee zou ik me zoet en gedeisd houden. De uitgestalde hapjes waren eveneens uitgesproken exquise. Van de meeste kon ik niet uitmaken waaruit ze waren samengesteld. Ik beperkte me tot de schaal met blokjes worstbeleg aan gekleurde roodwitte of roodblauwe plastic prikkertjes met een oranje wimpeltje in de top en in koolblaadjes gewikkelde gemengde eetrijst (in het dagelijks leven noemen wij dat een vulling van een eetlepeltje doodgewone moksi-alesi met batjauw) waarin spinaziegroente, kerriekip en patakavis waren verwerkt. Ik kreeg een graat in mijn keel, onderdrukte in benauwde, doch doodse stilte gorillagorgelgeluiden en varkensgesnuif. Ik schraapte het onding eruit, spuugde het in mijn hand en bewaarde de graat voorzien van spuwsel – ik bedoel een fluim van jewelste – in mijn broekzak. Ik zou heel snel naar vis gaan rieken. Als ik het al niet deed. Iemand tikte me op mijn schouder. Dat worteltjeshaar. Willie!

‘Wat aardig dat je toch een keer bent gekomen.’

‘Ja, vind je niet?’ Ondertussen hield ik Prieta en Sjonnie in het vizier.  Zodra hun wegen zich scheidden, salueerde ik naar Willie en zat ik Prieta, op discrete afstand blijvend en toch op haar inlopend, bescheiden op de hieltjes. Op anderhalve meter van haar af, riep ik sereen: ‘Prietaa. Prietaalief.’

 Ze keerde zich om: beeldschoon. Ze herkende me onmiddellijk. ‘Hallo – hooh. Dag dik wangenbilletje.’

‘Dag Priet.’

Ze boog zich naar me over en gaf me een judaskus op mijn ‘dikke wangenbil’, waarna ze haar lipjes schoonboende en keek alsof ze iets heel, heel smerigs had ingeslikt: stukjes manke kattenpoot, brokjes alcoholische damhertenlever, partjes hersenbeschadigde nertsenhersens, slierten epileptische varkensreuzel, eendenbotjes (doksa beentjes), partjes coronavirus of iets dat hoger scoort op de ranglijst der weerzinwekkende zaken dat haar haaks in de keel stak. Ze had opeens een ander accent dat wel bijzonder charmant klonk: ‘Ik ben de eerste spreker, lieverd. Mijn publiek wacht.’

            Ik verdronk tussen onbekenden die me bekend voorkwamen. ‘Ha, die Vieze Gik.’

Emanuel! Ik herkende hem in één oogopslag en met een half oor: uilenogen en zijn papegaaientongetje zat vast: ‘Viezegik’ zei hij vroeger al, ‘je moet je keukenschogtje aan en een mondluier om.’

‘We blijven dezelfde mensen, hè?’ sprak hij nu. ‘Altijd te herkennen. Zelfs in je nieuwste vegmomming.’

            ‘Jij bent in ieder geval in al die jaren niet veel veranderd,’ zei ik verbaasd.

            ‘Er is niets nieuws onder de zon. Wat doe jij tegenwoordig?’

            ‘Dingen die ik leuk vind. Met interessante types. En jij?’

            ‘Ik heb dit gebouw ontworpen. Opzienbarend, vind je niet?’

            ‘Ja, jazeker. Ben je getrouwd, heb je kinderen?’

            ‘Met mijn jeugdliefde, Marcelina. We hebben een mooie tweeling, dochter en zoon. Marcelino en Marcelina. En jij?’

            ‘Neen, aan kinderen heb ik me niet gewaagd.’

            Hij lachte. ‘Jij bent echt iemand die alleen aan zichzelf denkt. We hebben altijd totaal andere interesses gehad. Ik zie Lucia aankomen, ze is een beroemde psychiater geworden. Je wilt me zeker wel verontschuldigen? Zij en ik hebben elkaar wel veel te vertellen.’

            Zo gauw als hij zich had geëxcuseerd bij haar, stapte ik op de slanke, goed geklede jonge vrouw af. Ze was verbluffend elegant. ‘Dag Lucia.’

            ‘Met wie heb ik de eer?’

            ‘Rikketik, van lotje getikt, viezerik, dommerik, slechterik, wangenbillengezicht.’

            Ze keek verbijsterd: ‘Waar heeft u het in hemelsnaam over?’

            ‘Over wie ik was.’

            ‘Wat bedoelt u?’

            ‘In uw ogen.’

            ‘Brilt u nog steeds? Waar is uw bril?’

            ‘Tegenwoordig draag ik gekleurde lenzen.’

            ‘Het spijt me voor u. U ziet slecht. U bent verward. Ik ken u niet.’ Ze reikte me een kaartje aan. ‘Professor Lucia de Bakker. Alstublieft. Voor vroegere schoolgenoten hanteer ik een sterk gereduceerd tarief. Fijne middag.’

            Een teder, romantisch melodietje werd ingezet: Sofietje van Johnny Lion. Zalig, zo uit de oude doos. Een gouwe ouwe. Gauwe ouwe. Ouwe gauwe. Het werd me uit het hart gegrepen. Alleen verstond ik vroeger in plaats van lentesymfonie, centensymfonie. Ik moet het verkeerd hebben verstaan, hield ik mezelf voor.

Voor het literaire onderwerp: ‘De knuppel tussen de huishennen’ (in gedachte zei ik oneerbiedig tegen mezelf: sengrebere oso fowru) was ik niet gekomen.

Erna. Kwam ik thuis. Ik rukte de rode das met zwarte bloemetjes los, hees me uit mijn zwarte smoking, trok de zwarte pruik van mijn hoofd, de zwarte bakkebaarden van mijn slapen en de zwarte snor van mijn lip. Uitgemergeld met spieren en ballen als van een ondervoede mier, tandeloos als een slak, zo kaal als een walvis – zelfs mijn nekharen zijn uitgevallen net een pir’ neki kip – zo zag ik mezelf in de spiegel. Ik heb geen stekels als een egel en geen doorns als een roos, ik ben geen bloem en heb geen bloem. Ik heb geen wespentaille: ik ben geen wesp en heb evenmin een angel. Ik bezit geen giftand en hoef niet van vel te wisselen. Met slangen heb ik weinig gemeen. En even serieus: ik heb geen enkele echte tand over, slechts een loszittend, klepperend kunstgebit – dat wel weer. Ik bijt niet, omdat ik in principe tandeloos ben. Ik ben gebleven wat ik in mijn diepste wezen ben: noch dader, noch slachtoffer. Mens, medemens.

Neen, mensen veranderen niet echt. Zelfs mijn vermommingen hebben nooit iets geholpen. Geen sikkepit. Vergeven wil ik niet voor mezelf doen, als er niets te vergeven valt. We zijn wie we zijn. Stuk voor stuk. Het enige wat ik kon doen, was wisselen van psychisch perspectief. Tenslotte ben ik geen psychiater, al heb ik mezelf geleerd van gezichtspunt te veranderen en mezelf daardoor te genezen. Ik wist nu echt volkomen zeker waar de besmettingshaard lag, waar het gaslicht vandaan kwam.  Ik hoefde daar gelukkig niet terug te keren. Ik kon er hoog boven vliegen. En: ‘ik’ in een verhaal is natuurlijk nooit echt ik. Toch?

Als ik geen psychiater ben, zelfs geen man, en beslist geen dertigjarige, en geen Rick heet, en als ik mijn haar kleur omdat ik volslagen grijs ben, en als stijlbreuken geen stijlbreuken zijn,  gelooft u dan dat ik impotent ben? In welk opzicht? Ik ben in veel opzichten potent. In vele impotent (geworden/gebleven). Ik ben geen maagd, ook niet van sterrenbeeld. En toch ben ik in sommige opzichten maagdelijk (gebleven).

Soms lijkt seks op een gevecht, of heeft het iets te maken met kampen, hanengevechten. Iedereen kan ‘seks’ hebben. Zelfs dieren hebben seks. Ze worden dan driftig. Ze laten hun tanden zien. Raar…, hanen hebben geen tanden. Niet iedereen kan waarlijk liefhebben. In dat opzicht ben ik omnipotent. Gelooft u dat? Dan ben ik liever dan Onze Lieve Heer. De rest (Oei! Seks!) laat ik aan een ieders fantasie over. Dat hoort in de privé sfeer zou ik denken. Maar ik hoor slecht. Ik ben aan één oor zo doof als een ketel die zwart ziet. En soms Oost-Indisch. Dus: niet fantaseren over mij graag – ik ben over de zeventig – en krijg voornamelijk judaskussen. Daar heb ik vrede mee. Een kus is een kus en geeft betekenis aan een verhouding. Hoe dan ook. Fijne reis dan maar als u zich aan uw leest houdt. Dat betekent dat uw fantasieën aan het eind van de rit voor uw rekening komen.

Sliep uit.

Dit is een verhaal dat ik voor veel mensen heb verteld! Net als alle andere. Tenslotte ben ik enkel één oude vrouw. Maar, ik kan vliegen zonder vleugels: schrijven. Over alles en iedereen. Door de bank. Door elkaar. Ik kan zijn wie ik ben en blijven. Mens en medemens. Al hoef ik gelukkig niet naar andermans pijpen te dansen. En al ben ik slechts één pover… schrijverke:  Annel de Noré.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *